Wat kan een middeleeuwse dominicaan gemeen hebben met het zenboeddhisme? In zijn essay over Meister Eckhart en het boeddhisme onderzoekt de zenboeddhist Daisetz Teitaro Suzuki die vraag nadrukkelijk als een verkenning. Eckhart is een christelijk denker, gevormd door de Bijbel en de christelijke leer. Toch hoort Suzuki in zijn preken een manier van spreken die opvallend dicht komt bij het mahayana-boeddhisme en vooral zen. De verwantschap ligt voor hem in de ervaring die eraan voorafgaat.
Door: José van der Loop
Die parallel is gedurfd. Eckhart spreekt over God, de Vader en de geboorte van de Zoon in de ziel. Het boeddhisme kent geen scheppende God in deze betekenis. Suzuki is ervan overtuigd dat beide tradities wijzen naar een werkelijkheid die niet als een object kan worden gekend. Begrippen als het eeuwige nu, onthechting, niet-weten, Godheid, leegte en zo-heid vormen daarbij de belangrijkste aanknopingspunten.
Het eeuwige nu
Eckhart benadert tijd niet als een reeks momenten waarin God ooit de wereld schiep. Voor God, zo leest Suzuki hem, zijn verleden en toekomst niet van elkaar gescheiden. Schepping vindt plaats in het tegenwoordige en eeuwigdurende nu – een voortdurend scheppen dat buiten de meetbare tijd staat. Ook de geboorte van de Zoon in de ziel voltrekt zich in ditzelfde tijdloze heden.
Daarmee verandert de betekenis van religieuze taal. Het scheppingsverhaal verwijst niet alleen naar iets wat lang geleden gebeurde. Het gaat erom wat zich nu, in de grond van de ziel, voltrekt. Wie uitsluitend in herinnering of verwachting leeft, blijft volgens deze gedachte gevangen in beweging. Het eeuwige kan alleen in het heden – het nu – worden benaderd. Eckhart verwoordt dit zelf op radicale wijze: ’Spreken over de wereld alsof God die gisteren maakte of morgen zal maken, is onzin. God maakt de wereld en alle dingen in dit tegenwoordige nu.’
Suzuki herkent hierin iets wat voor boeddhistische oren vertrouwd klinkt. De werkelijkheid verschijnt niet vanuit een eerste oorzaak die zich op een tijdlijn laat plaatsen. Zij komt voort uit tijdloosheid, door Suzuki verbonden met de boeddhistische leegte. Dat betekent niet dat tijd en verandering worden ontkend. Het betekent dat hun uiteindelijke grond zelf niet nog eens een gebeurtenis in de tijd is.
Zijn en zo-heid
Een tweede raakpunt is Eckharts spreken over zijn. ‘God en zijn’ zijn bij hem zo nauw verbonden dat alles wat bestaat zijn bestaan aan God ontleent. Suzuki benadrukt dat dit geen louter logische stelling is. Eckharts woorden zijn geworteld in religieuze ervaring. In het geringste schepsel kan de volle glans van het zijn zichtbaar worden. ‘Het geringste ding dat in God wordt waargenomen, een bloem bijvoorbeeld, zou volmaakter zijn dan het universum’. Suzuki trekt daar zonder voorbehoud de lijn door naar het boeddhisme: ‘De boeddhistische verlichting is niets anders dan deze ervaring van is-heid of zo-heid (tathata), die in zichzelf alle mogelijke waarden (guna) bevat die wij mensen ons kunnen voorstellen’.
Suzuki verbindt dit met het boeddhistische begrip zo-heid: de werkelijkheid zoals zij is voordat wij haar opdelen en beoordelen. Het gaat niet om een verborgen eigenschap achter de bloem. De bloem wordt juist werkelijk gezien wanneer zij niet langer wordt teruggebracht tot haar naam, functie of nut.
Dat klinkt eenvoudig, maar Suzuki bedoelt meer dan aandachtig kijken. Gewoonlijk staat er een waarnemend ik tegenover een object. In de ervaring van zo-heid verliest die scheiding haar vanzelfsprekendheid. De bloem is niet meer alleen iets voor mij. Haar bestaan wordt van binnenuit ervaren. Daarom vergelijkt Suzuki religieuze verlichting later met het plotseling zien dat de zon rond is. Iedereen weet dat al, maar werkelijk zien is iets anders dan de juiste informatie hebben.
Liefde zonder afstand
Eckhart zegt dat Gods werk in de ziel liefde is. God heeft alle schepselen lief in de liefde waarmee God zichzelf liefheeft. Suzuki plaatst daarnaast de boeddhistische gedachte dat bij de verlichting alle voelende en niet-voelende wezens in die verlichting blijken te zijn opgenomen.
Daarmee verzet hij zich tegen een beeld van boeddhistische verlichting als rationeel en zonder gevoel. Leegte sluit mededogen niet uit. Wanneer het afgescheiden ik niet langer het middelpunt vormt, kan de wereld zonder die gebruikelijke afstand verschijnen. Suzuki verwoordt dit scherp: ’Verlichting betekent niet dat men van de wereld wegloopt om in kleermakerszit op de bergtop kalm neer te kijken op een door bommen getroffen mensheid. Zij heeft meer tranen dan wij vermoeden.’
Deze vergelijking maakt de tradities nog niet hetzelfde. Eckhart drukt de eenheid uit als Gods liefde en Gods werkzaamheid in de ziel. Het mahayana-boeddhisme spreekt over universele verlichting en leegte. Suzuki ziet hierin verwante ervaringsstructuren, maar de religieuze verbeelding en leerstellige kaders blijven verschillend.
Geen eenvoudig pantheïsme
Eckharts uitspraken over eenheid riepen in zijn eigen omgeving vragen op. Wanneer hij zegt dat God en de ziel één zijn, lijkt het alsof hij het verschil tussen schepper en schepsel opheft. Suzuki waarschuwt echter voor het etiket pantheïsme. Eckhart stelt ook uitdrukkelijk: ‘Toch is het schepsel niet de schepper, noch de rechtvaardige mens God.’
De eenheid waarover hij spreekt is daarom geen optelsom waarin alle verschillen verdwijnen. Suzuki vergelijkt haar met witheid en iets wits: ze zijn niet van elkaar los te maken, maar ook niet zonder meer hetzelfde. Eckharts denken houdt onderscheid en eenheid tegelijk vast.
Dat blijkt vooral uit zijn onderscheid tussen God en Godheid. God werkt, schept, komt en gaat, stelt Eckhart. De Godheid is niet als een afzonderlijk iets te bereiken. Zij is geen persoon of voorwerp naast andere personen en voorwerpen. Eckhart noemt haar een zuiver niets, de grond waaruit alle zijn voortkomt. Juist hier ziet Suzuki een sterke overeenkomst met de boeddhistische leegte.
Onthechting en leegte
Voor Eckhart is volstrekte onthechting de hoogste deugd. Onthechting betekent niet gevoelloosheid of afkeer van de wereld. Zij wil niets bezitten, niets afdwingen en niet per se dit of dat zijn. In die openheid kan God zonder weerstand in de ziel werken.
Suzuki merkt een verschil in nadruk op. Eckhart beschrijft onthechting vooral psychologisch en religieus; na alle geschriften te hebben doorzocht vond hij ‘niets anders dan volstrekte onthechting van alles wat geschapen is’. Het boeddhisme bespreekt leegte ook metafysisch: samengestelde dingen bezitten geen zelfstandig, blijvend bestaan. In de praktijk raken beide niveaus elkaar. Het ik kan zich pas werkelijk losmaken wanneer het inziet dat geen enkel ding uit zichzelf bestaat.
Leegte betekent daarbij geen afwezigheid, uitdoving of onbezette ruimte. Suzuki verwerpt deze drie interpretaties uitdrukkelijk. Boeddhistische leegte ligt niet aan één kant van tegenstellingen als zijn en niet-zijn, leven en dood, ja en nee. Zij is het veld waarin zulke onderscheidingen mogelijk worden. Suzuki noemt het een nul vol oneindige mogelijkheden, een leegte met onuitputtelijke inhoud.
Weten door niet te weten
De ontmoeting tussen keizer Wu en Bodhidharma maakt dit begrip concreet. De keizer vraagt naar de hoogste heilige waarheid. Bodhidharma antwoordt: ‘Een weidse leegte, en niets heiligs daarin.’ Wanneer de keizer vervolgens vraagt wie er dan voor hem staat, luidt het antwoord: ‘Ik weet het niet’. Volgens Suzuki is dit een niet-weten dat door kennis heen is gegaan. Eckhart spreekt vergelijkbaar over een getransformeerd weten dat ontstaat wanneer de gebruikelijke kennis haar grens bereikt. ‘Het is door weten dat wij tot dit niet-weten komen.’ Zolang de werkelijkheid wordt behandeld als iets wat een afzonderlijk subject kan vastpakken, blijft zij bedekt door begrippen.
Zen gebruikt daarom woorden op een ongebruikelijke manier. Een meester zwijgt, schudt een theestruik of loopt weg. Zo’n handeling moet de leerling laten ervaren wat volgens zen niet rechtstreeks in woorden kan worden uitgedrukt.
Suzuki ziet Eckhart iets vergelijkbaars doen wanneer hij bekende Bijbelwoorden losmaakt uit hun gangbare betekenis en ze laat verwijzen naar een innerlijke gebeurtenis.
Suzuki eindigt niet met een sluitend bewijs dat christelijke mystiek en zen hetzelfde zijn. Hij laat juist zien hoe moeilijk hun kern in begrippen te vangen is. Zijn vergelijking berust ook niet op de gedachte dat Eckhart boeddhistische bronnen kende. De parallellen wijzen volgens hem op een diepere samenhang in menselijke metafysische en religieuze ervaring.
Eckhart en zen stellen dezelfde ongemakkelijke vraag aan de lezer, en Suzuki formuleert haar zo: ‘Wij denken allemaal dat wij leven, dat wij werkelijk eten, slapen, lopen, praten. Maar doen wij dat werkelijk?’ Het antwoord kan beginnen bij waar het gewone weten stilvalt en de zon, hoewel zij altijd al rond was, voor het eerst werkelijk rond wordt gezien.
José van der Loop geeft lezingen, schrijft artikelen en maakt podcasts over yoga-filosofie, Vedanta, esoterisch christendom, mystiek en andere wijsheidstradities. Haar werk kenmerkt zich door inhoudelijke verdieping en aandacht voor oorspronkelijke bronnen en tradities. Daarbij zoekt zij steeds naar inzichten die transformeren en inspireren.






