Geschreven door 06:12 Actueel • Een reactie

‘Uiteindelijk zijn we altijd in het licht’

In het laatste deel van het gesprek tussen theoloog en schrijver Wim Jansen en schrijver en rebalancer Lisette Thooft (deel 1 hier, deel 2 hier, deel 3 hier, deel 4 hier) aandacht voor de dood. Wim is ongeneeslijk ziek. Hij heeft momenten dat hij naar de dood kan verlangen. Lisette denkt dat ze na haar aardse leven een terugblik zal krijgen op dit leven vanuit een allesoverstijgende liefde.

Lisette: Hoe zie jij de dood? En na de dood. Wat is er na de dood?
Wim: Ja, de dood is… Daar heb ik ook mijn hele leven al wat een soort affiniteit mee gehad. Dus, in tegenstelling ook denk ik wel tot mijn leeftijdgenoten destijds was ik ook al veel aan het nadenken over de dood. Ik las ook dichters die schreven over de dood, met name Gerrit Achterberg. Ik was denk ik 16, 17 toen ik zijn gedichten ontdekte. En de fascinatie voor de dood heb ik altijd wel gehad. Zonder dat dat, hoe moet ik het zeggen, ten koste van mijn levenslust ging.

Ja.
Dus wat veel mensen dan zeggen… Ik weet nog dat er zo’n correcte dame waar ik in de kost was, die tegen mij zei van: jij moet op jouw leeftijd daar nog niet mee bezig zijn, weet je wel. Ik las graag uit Prediker, bijvoorbeeld. Mag ik wat uit de Bijbel…? Ja, Prediker. Moet jij op jouw leeftijd nog niet…? Dat heb ik altijd onzin gevonden. Juist wel! Want je bent jong en je leeft en je tintelt van het leven en tegelijk is de dood ook overal. En voor mij heeft het juist mijn levenslust versterkt. Het bezig-zijn met de dood. Als predikant was ik heel vaak bezig met de dood. En ik heb heel diep – dat is denk ik de intuïtie die ik heb moeten ontwikkelen – een soort doodsverlangen in de zin wat jij net ook noemde. M’n laatste partner dat is dood, daar ga je mee dansen en vrijen en noem maar op. De dood als bron waarin je terugkeert, waarnaar je toch ook altijd een eeuwig heimwee voelt heel diep. Heel diep voel ik. Als ik als predikant een begrafenis moest doen, was ik op mijn best. Dat weet ik gewoon zeker. Dat ik daar het meest tot mijn recht kwam als de dingen samen laten komen van iemand zijn leven. De beekjes die in de grote zee uitstromen.

Ja ja.
En ik voel het nu, nu het wel menens wordt. Ik heb momenten gehad dat het echt heel slecht ging. En ik weet gewoon dat het toch wel een keer misgaat, zal ik maar zeggen. Ik voel steeds sterker de aanwezigheid van dat licht waar ze over schrijven… Waar Pim van Lommel die mooie onderzoeken naar gedaan heeft.

Ja ja.
Er zijn nu ook… In deze fase krijg ik heel veel mails van mensen die mij vertellen over die ervaring van wat ze met anderen hebben meegemaakt die overgingen.

Ja ja.
Ik zeg tegen mijn kinderen, onze kinderen, zeg ik ook wel heel vaak van: ja, je moet er want die zijn er natuurlijk wel mee bezig, rekening mee houden dat papa een keer he, dat het toch een keer gaat gebeuren.

Ja.
Dan zeg ik: jullie hoeven niet bang te zijn, want ik wil alleen maar jullie een groter cadeau geven van dat ik naar het licht ga. En dat is heel sterk, dat gevoel.

Prachtig ja, en waarschijnlijk ben je er ook nog voor je kinderen.
Ja ja.

Ik heb met mijn vader na zijn dood een aantal hele mooie spirituele ervaringen gehad. Dat ik hem, dat hij er was. Dat wij elkaar onze liefde verklaarden en dat we daar zo ontroerd blij mee waren. Nou, dat is natuurlijk fantastisch.
Dat is heel herkenbaar wat je nu zegt. Inderdaad, dat zeg ik ook. Ik zag… ik ben niet weg, ja ja.

Je bent er nog, nee, dat geloof ik ook. En daarom verheug ik me erop, maar ik vind het wel een kunst hoor, zeker in deze barre tijden. Je moet het wel een beetje regelen. Ik heb nu al een – hoe heet dat? – een ‘Wilsverklaring behandelverbod’. Ik wil nooit meer naar de dokter, waarvoor dan ook. Nou misschien een wrat ofzo. Maar niet wat dan ook dan wil ik… Als ze mij iets sturen van een ziekte, dan denk ik: he, het is kennelijk tijd. Ben ik van plan, never say never. Je weet niet wat er is als het zover is. Maar ik wil niet lange jaren door, gesleept gesleept.
Nee nee.

Dan denk ik: nou ik mag, ik mag. Ik mag naar boven. Ik mag naar huis.
Nee dat herken ik helemaal. Terwijl ik tegelijk voor mijn kinderen en voor mijn geliefden hoop dat ik nog wel heel lang bij hen zal zijn. Maar als het erop aan komt ja dan kan ik ernaar verlangen. Zijn er momenten dat ik ernaar verlang.

Het maakt ook uit denk ik hoe oud je ouders waren toen ze stierven. Mijn ouders waren alle twee jong. Mijn zus was jong.
Ja?

Mijn moeder was 67, mijn zus was 69. Ik ben al ouder dan zij. Dus ik heb al het gevoel… Mijn zus had alvleesklierkanker en toen de internist dat aan haar vertelde, toen zei ze: ‘Nou, ik heb er de leeftijd voor’. Wat natuurlijk helemaal niet waar is, maar ze is heel mooi gestorven. Mijn moeder eigenlijk ook. Dus ik heb die voorbeelden. Zo kan het.
Mijn vader is op 65-jarige leeftijd overleden.

Ook jong.
Ja best jong he. En ook vrij plotseling trouwens. En ik heb overigens in mijn boek Waar ben je nu? – wat jij nog gerecenseerd hebt – geschreven van: de ervaringen van zijn nabijheid, hoe hij werd, zijn eigenlijk meer, mooier en zuiverder dan toen hij nog leefde ja.

Ja, precies precies, dus dat geloof ik ook. En ik geloof een heleboel verhalen… Als ik doodga, dan krijg ik een terugblik op mijn leven. En dan haal ik daar uit wat belangrijk voor me was. Dan schijnt dat je het van alle kanten ziet. Ook van de kant van iemand met wie ik iets gedaan heb. Maar met een enorme vergevingsgezinde, wijze…
Allesoverstijgende liefde.

Allesoverstijgende liefde. Dus ja daar kun je je ook op verheugen alvast.
Ja ja.

En dan krijg je een soort samenvatting. En dan is er misschien nog iets wat ik de volgende keer heel graag wil gaan doen en nou dan wie weet. Komen we dan weer, zitten we floep ineens weer in een baby. Ik weet het ook niet.
Nee, dat weet ik ook niet.

Ik geloof het eigenlijk wel.
Maar dat we uiteindelijk altijd in het licht zijn. Ik heb laatst een preek, de laatste preek die ik gehouden heb dan dat was afgelopen zondag, morgen houd ik weer een andere maar over ‘alles is er al’. God is er al. Het gaat over een rups. Dan vertel ik een verhaal over een rups die naar de zon wil en die bouwt een toren om naar de zon te klimmen. Tot ie uiteindelijk een vlinder wordt. Dan spreidt ie z’n vleugels en dan voelt ie de zonnestralen in die vleugels en dan voelt ie: he, de zon is er dus al. Ik hoef daar niet naartoe, alles is er al. Ik hoef me er alleen nog maar bewust van te worden.  

Met dank aan Joke Idema voor het uittypen van de interviewtekst en aan Gert Kooiman voor het bewerken van de filmpjes.

(Visited 302 times, 4 visits today)
Sluiten