Geschreven door 16:54 Actueel, slider • 9 Reacties

Hellup! Ik zoek een mens – en God

Wij trokken door Duitsland, Denemarken en Zuid-Zweden. Met autootje en elkaar. Op zoek naar… ja, naar wat eigenlijk? Naar schoonheidservaring, dat zeker. Naar nieuwe landschappen die we nog nooit hadden aanschouwd. Naar avonturen. En naar een mens. Altijd op zoek naar mensen. Want we ervaren deze maatschappij als verregaand ontmenselijkt. Klopt deze bevinding? Soms verontrustend wel, soms verrassend niet. Een reisverslag.

Door: Wim Jansen | Foto’s: Pixabay

Onze bestemming was het binnenland van Zuid-Zweden, waar vrienden van ons zo’n mooi houten huis hebben diep in de bossen. Maar onze reis erheen hadden we verdeeld in etappes van maar enkele uren rijden. Om ook de reis tot vakantie te maken en te genieten van de weg erheen en de pleisterplaatsen. Het lijkt het leven zelf wel: er is een bestemming maar de weg er naar toe is al een deel van de bestemming.

De uitdrukking ‘pleisterplaats’ zou overigens op vervelende wijze worden teruggebracht tot zijn letterlijke betekenis…

Hattem
We begonnen in het vriendelijke gebouwtje De Notenhof, waar Vrijzinnig Hattem kerkt en ik geïnspireerd werd door de dienst waarin ik zelf mocht voorgaan 😉 Begrijp me goed, niet door mijn eigen formuleringen, maar door het GROTE ENE, dat mij altijd weer in vuur en vlam zet – en daarmee anderen. Ik voelde weer hoe die heerlijke gloed bezit nam van ons allen in dat kerkzaaltje. Hoe ook de pianiste erin werd opgenomen en de sterren van de hemel speelde in haar muzikale overdenking.

Op zoek naar mensen? Nou, daar waren ze! Hartelijke, warmbloedige mensen die genoten van STILTE en van liturgie die ertoe doet.    

Bremen
Maar de stadsmuzikanten waren er in geen velden of wegen te bekennen. Zij lieten ons jammerlijk in de steek om ons de weg naar het Parkhotel te wijzen. Evenals mevrouw Navigatie in autootje. Van Kunstmatige Intelligentie moet je ’t niet hebben. Anderhalf uur lang stuurde haar computerstem ons in ontmoedigende rondjes door de stad. Tot ik bij het station op het idee kwam om lekker ouderwets een MENS de weg te vragen. Zo’n vriendelijke, Duitse mevrouw. Parkhotel? Hier gerade aus und dann nach links…

Wat een verademing. Een mens die ons de weg wees.

Grote Beltbrug
Denemarken. Bij de tolpoort van de Grote Beltbrug – die van Funen naar Seeland: hellup! ik zoek een mens! Want de slagboom gaat niet open. Zweet in de nek want hijgende en geïrriteerde automobilisten in de nek. Paniekgevoel. En ik was nog wel zo naïef een mens te verwachten bij het loket dat ik koos: CASH! Ja, dan denk je met je boerenverstand dat daar iemand zit om je cash in ontvangst te nemen. Helaas, geen mens te bekennen. Nergens. Alleen maar zuilen en blik om je heen, zover je kunt kijken.

Cash. Echt geld. Hebben we, maar waarin gestopt? Vele spleten en gaten, maar welke? Dan maar pasje. Oei! Automaat reageert niet. Nog meer zweet in de nek want niet alleen hijgers in de nek maar ook claxons. Mijn lief uit de auto, stopt ander pasje in een van de spleten. Duurt lang eer pasje terugkomt. Oei! Automaat zal het toch niet hebben opgevreten? Eindelijk komt het terug. En bedrag lijkt te zijn afgeschreven. Slagboom gaat eindelijk omhoog. Wegwezen.

Mijn God! Hellup! Ik zoek een mens. Maar daar was werkelijk geen mens te bekennen, alleen in de gestalte van ongeduldige claxons.

Kopenhagen 
Breed opgezette stad met rustige straten, kopergroene daken en pastelkleurige huizen langs de haven. Romantische stad met de sprookjesachtige uitstraling, maar we reden in één keer door naar het reusachtige, Amerikaans aandoende zakenhotel in het stadscentrum. Eerlijk gezegd verwachtten we daar niet veel te vinden aan MENS. Vermoedelijk veel screens en pasjesverkeer en robots en…. Klopte. Maar het personeel was uiterst hoffelijk en wellevend. Natuurlijk, daar waren ze voor opgeleid en het was aangeleerd gedrag. Maar het is prettig te worden gezien en geholpen en vriendelijk bejegend. Vriendelijkheid is de kleine pasmunt van het grote biljet Liefde. Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend, zei de altijd op reis zijnde apostel Paulus niet voor niets. 

Dat bleek ook in het restaurant in het ongelooflijk drukke stadscentrum. Geen cynische bediening zoals je dat zo vaak in toeristische centra aantreft, maar een uiterst gastvrije jonge vrouw – studente, dachten wij – die het ons echt naar de zin probeerde te maken. Aardige meisjes, die Denen. Mooie meisjes ook.

We vonden mensen in Kopenhagen, op plekken waar we het niet verwachtten.

Zweden
Natuurlijk vonden we mensen in Zweden, want daar waren onze vrienden die ons gastvrij ontvingen en onthaalden op een heerlijke maaltijd. Zij namen ons mee in het bos rondom hun sfeervolle houten huis en ze toonden ons de ongelooflijke ongereptheid van het land. Een adder glipte weg voor onze voeten, sprookjes van paddenstoelen onder de bomen, een ree danste verend de weg over. Ook elanden toch zeker? Helaas, alleen op de verkeersborden. Maar ze kwamen daar wel voor, in hun omgeving.

Het was vooral de ruimte van het land, die indruk maakte. De ruige rotsen overal. De leegte en de stilte. Juist het ontbreken van mensen. Kilometers rijden zonder een auto tegen te komen. Groen, zo groen, de altijd groene sparrenbossen, maar ook de vele weilanden met al die wilde bloemen.      

Het bepaalde mij erbij dat de mens gemist kan worden. Waar heeft het ‘christendom’ het toch vandaan gehaald dat de mens de kroon op de schepping zou zijn? Zie ook het prachtige artikel De mens is niet de kroon op de schepping van Matthijs de Jong op Nieuwwij.

Het gaat om de schepping in zichzelf, om God. En toch, ik zoek een mens. De basale mens die zich niet de kroon op de schepping waant en daarom alles versjteert.

Pleisterplaats
We hebben het al gezien, schijn bedriegt als je een mens zoekt. Het kil ogende megahotel in Kopenhagen schonk ons mensen. Het kleinschalige dorpshotel in Tönder in Zuid Jutland daarentegen… Ik zoek een mens. Was dit de mens? Er was een dorpsfeest gaande op het pleintje. Ladderzat waren ze, die meest zuidelijke Denen. Overal kwam je luitjes tegen met glazen bier in de hand, luidruchtig en wartaal uitslaand. Een jonge vrouw werd door haar man, met een vies besmeurd shirt over zijn enorme buik, meegevoerd, vermoedelijk naar huis. Ze kon niet op haar benen staan, zwalkte werkelijk over de hele straat, kokhalsde, struikelde…

Geen oordeel. Ik ken het verschijnsel. Maar ik zoek een mens. Is dit de mens?  

Bij het verlaten van het kleinschalige hotel zonder lift verstapte ik mij – domme actie – met de zware koffer de trap af. En viel lelijk van de onderste treden op een marmeren tafel, waarvan de scherpe rand mijn onderarm opensneed. Met net je bloedverdunner achter de kiezen wil je dan wel bloeden. Helaas, de hoteleigenaar was niet de mens die we zochten. Hij schoof ongeduldig enkele pleisters naar mij toe, liet het ons opknappen en hield ons intussen de rekening voor. De veel te smalle pleistertjes uit het verbanddoosje konden net het ergste bloeden stelpen.

Geen echte pleisterplaats, dat zuidelijkste dorp van Denemarken.

Overtocht over de Elbe  
Maar waarom zocht je dat dan ook op? Waarom niet de hoofdroute via Hamburg? Omdat we daar op de heenweg geen mensen hadden gezien. Alleen maar heel veel, en dan bedoel ik heel veel auto’s. In lange rijen van tientallen kilometers. Op de door herstelwerkzaamheden voortdurend versmalde ring en daarbuiten. Was het dan een idee om de veerboot over de Elbe te nemen bij Glückstadt?

Ja, dat was een prima idee. Want de file daar viel mee, nog geen uur wachttijd. Maar vooral: Mensen! Geen enge poortjes waarvan je maar moet afwachten of ze je code herkennen. Geen blinde zuilen die je pasje willen opzuigen. Geen robots die je instructies geven. Geen screens, maar mensen die je opwachtten op het dek, je wezen in welke rij je autootje mocht zetten. Persoonlijk langskwamen om af te rekenen. Aardse zeebonken.

Op het veer over de Elbe vonden we mensen. Zoals ook in het modern verbouwde hotel in het stadje Varel. Waar de hoteleigenaar de lelijke wond op mijn onderarm zorgelijk aanschouwde en ogenblikkelijk met serieus verband in de weer ging. Ik vond een barmhartige Samaritaan in een niet zo gezellig, niet zo sfeervol ogend hotel. Ik vond een mens.

God
Ik zocht een mens. Maar zocht ik ook God? Ik zoek God allang niet meer. Want God is het autootje waarin wij reden. De verrukkelijke gerechten. De weg die ons droeg. Mijn eigen handen aan het stuur. De wisselende landschappen om ons heen. De ongereptheid in Zweden. Onze gastvrije vrienden. 

En vooral. Elke morgen als ik wakker werd in weer een ander hotel vond ik God naast mij. En zij omhelsde mij.      

Over de auteur
Wim Jansen (1950) is theoloog, schrijver en dichter, aan christendom en religie voorbij – en uitgekomen bij de mystiek van de Liefde. Hij is emeritus predikant van Vrijzinnig Delft en de Vrijzinnige Koorkerkgemeenschap in Middelburg en was ook lange tijd werkzaam in het onderwijs, met name aan de Hogeschool Zeeland. Op 13 mei jl. verscheen van hem een nieuwe bundel met de mooiste liefdesgedichten, die hij schreef voor zijn geliefde ElianeEliane – liefdeslyriek. Zie voor achtergronden en eerdere publicaties zijn website www.wimjansen.nu.

(Visited 394 times, 1 visits today)
Sluiten