Geschreven door 15:34 Verdieping • 3 Reacties

Het woord ‘God’ overboord gooien?

Tijdens de presentatie van mijn boek Brandend verlangen was Greco Idema, o.m. hoofdredacteur van Volzin, zo vriendelijk een impressie te geven van het boek en er een fragment uit voor te lezen. Naast vele wijze woorden is één zin uit zijn inleiding mij vooral bijgebleven, namelijk waar hij vertelt wat hem trof in een eerder boek van mijn hand, Dominee zoekt God: “Heel bijzonder vond ik dat hij (WJ) het woord God niet ‘overboord’ gooide. Voor mij zo essentieel.”

Door: Wim Jansen

Ook in Brandend verlangen gooi ik het woord ‘God’ niet overboord. Weliswaar opent de inleiding met de uitnodiging aan de lezer het Godwoord te vervangen door een beeld dat bij het eigen levensgevoel past, maar dat zeg ik vooral zo nadrukkelijk om mij niet te vervreemden van mensen die moeite hebben met dat woord. Zelf laat ik er echter geen misverstand over bestaan dat ik mij het woord ‘God’ niet wil laten ontnemen door welke belastheid of nare associatie dan ook. Daarvoor heeft het in mijn leven te veel aan zeggingskracht behouden – en zelfs gewonnen.
In welk opzicht dan?

Het wit van een tulband
In mijn boek kom ik met grote regelmaat terug op de vraag wat dat woord dan voor mij betekent. Een van de vele antwoorden: ‘…dat het woord ‘God’ op intense wijze een andere werkelijkheid in mij opriep. […] Het ‘meer’ dat ik in het aardse leven aantrof, of liever: dat mij trof. Datgene wat Rudolf Otto noemt ‘het eeuwige dat verschijnt door de sluier van het tijdelijke’.

Met dit laatste beeld voor ogen voer ik dan Karel Appel op, die God ervoer in een schilderij van Rembrandt, namelijk het wit van een tulband. Ik heb het opgezocht en het moet wel Man in oosterse kleding zijn:
‘Dat oplichtende, glanzende wit aan de voorkant van de tulband, ongelooflijk! Het lijkt of zich daaronder al het licht van het universum concentreert en een weg naar buiten zoekt om te exploderen. […] Ja, je kunt met recht zeggen dat God daar van het doek af spat. […] Dat is wat het woord ‘God’ doet in mijn leven: het is poëzie. Het roept de glanzend lichte wereld op die ik ervaar als mijn diepste werkelijkheid.’    

Verstilling
Dat is één aspect. Het ultieme en in schoonheid overstijgende, waarvoor wat mij betreft alleen het woord ‘God’ of ‘Goddelijk’ toereikend is. Er is ook nog iets anders. Dat is het troostende aspect van de rust die ik altijd in dit woord ervaren heb. Zo verbindt ook Etty Hillesum haar innerlijke rust met het woord ‘God’ in die bekende zin: ‘Dat allerdiepste, allerrijkste in mij, waarin ik rust, dat noem ik God.’

In Brandend verlangen omschrijf ik het zelf aldus:
‘… die merkwaardige verstilling van alle dingen, de peilloze rust, dat innige, weldadige, noem het: gevoel van eeuwigheid, dat voor mij eigenlijk alleen met het woord ‘God’ te benaderen valt.’

En elders: ‘De verstilling waarin ik de laatste jaren leef, is in deze weken sterk geïntensiveerd. Een soort verdroomde toestand waarin mijn geest permanent rust. En in die vreemde modus dient zich een beeld aan, als een innige werkelijkheid. Het krachtige beeld van een licht waar ik naartoe getrokken word – en dat alles in die dichte dampkring van ongekende liefde.’

Tegen iets, tegen iemand
Licht en liefde, beelden en woorden die het persoonlijke overstijgen. Maar ik ervaar in God ook nog wel degelijk iets ‘persoonachtig’. Nee, niet de regelneef in het heelal, niet de uitvergrote president, niet het Opperwezen dat men in theologisch jargon aanduidt als ‘theïstisch’. Maar wel een energie met een persoonlijke kern, om de doodeenvoudige reden dat die energie liefde genereert – en liefde kan niet anders dan persoonlijk zijn.

Spinoza die, zoals altijd wordt gezegd, afrekende met de persoonlijke god, komt in zijn Ethica toch weer uit bij een ‘hij’. Namelijk in Stelling V,36, waar sprake is van ‘de eindeloze liefde waarmee God zichzelf liefheeft.’ Ook Spinoza, die God deed samenvallen met de onpersoonlijke Natuur, ontkomt blijkbaar niet aan een persoonlijke kern van het goddelijke zodra de liefde ter sprake komt – en liefde is de essentie van God.           
Zo ontkom ik ook zelf niet aan God als een instantie die ik aanspreek. Een ‘jij’ of ‘Gij’. Ook al hanteer ik die aanspreekvormen bij wijze van spreken, ik kan niet anders dan mij persoonlijk verhouden tot dit licht dat mij draagt, mijn bron, mijn bestemming. Omdat die alle de liefde zijn.    

Eenzelfde paradox zien we in die prachtige, alles openlatende uitdrukking van Dag Hammarskjöld: ‘Eens zei ik ‘ja’ tegen iemand – of iets.’

Er wordt aan mij gesleuteld
Het heeft ook te maken met de ervaring van een nabijheid. In Brandend verlangen omschrijf ik het aldus: ‘God was iets heel erg van mij, heel diep van binnenuit, een onuitsprekelijke nabijheid.’
Al van jongs af aan ken ik deze bevinding van een ‘tegenover’. De beelden duikelen over elkaar heen om die ervaring te duiden: een metgezel, een vreemdeling, een alter ego, een hoger zelf, een innerlijke gids, een stem, een gestalte van wie ik worden moet.

Onmiskenbaar is mijn ervaring dat ik niet zelf mijn leven bepaal, maar dat een instantie mij leidt. Dat niet ik verlang, niet ik liefheb, maar dat er in mij verlangd wordt, dat er in mij liefgehad wordt. Dat niet ik leef, maar dat het leven mij leeft.
Juist die dingen in het leven die het meest essentieel zijn lijken zich te voltrekken buiten mij om en aan mij. Mijn leven lang weet ik mij, niet dankzij mijn beslissingen maar ondanks mijn beslissingen, gedreven tot liefde. Ik kan zo de fasen in mijn leven aanwijzen dat ik weer zo’n transformatieproces moest ondergaan, dat ik werd ondergedompeld in een crisis om nieuwe groei aan mij te laten gebeuren. Alles is mij geschonken en in alles werd ik geleid, soms tegen mijn wil in.

Zo kan ik mij in deze laatste levensfase niet aan de indruk onttrekken dat er aan mij gesleuteld wordt, namelijk ter vervolmaking van de liefde. Dat ik nog restanten reserve en ongeloof en twijfel mag afleren. Om eindelijk te komen tot een liefde zonder angst. Een liefde die vertrouwt en zich volledig overgeeft. Een bevrijde, onbekommerde liefde die alleen nog maar uit liefde bestaat.

Een liefde die God is – en die op ons wacht aan het eind van de rit.  

Over Wim Jansen
Wim Jansen (1950) is theoloog, schrijver en dichter, aan christendom en religie voorbij – en uitgekomen bij de mystiek van de Liefde. Hij is emeritus predikant van Vrijzinnig Delft en de Vrijzinnige Koorkerkgemeenschap in Middelburg en was ook lange tijd werkzaam in het onderwijs, met name aan de Hogeschool Zeeland. Onlangs verscheen zijn boek Brandend verlangen. Voor meer info: www.wimjansen.nu.

(Visited 327 times, 1 visits today)
Sluiten