Written by 15:43 Actueel

Was Jezus een bodhisattva?

Op de weg naar bevrijding worden in boeddhistische tradities vaak twee vooraanstaande idealen onderscheiden. Het arhat-ideaal geldt in de Theravāda en de andere vroege boeddhistische scholen als het hoogste doel: het bereiken van nirvāṇa en daarmee bevrijding uit saṃsāra door het uitdoven van begeerte, haat en onwetendheid. In het Mahāyāna-boeddhisme staat het bodhisattva-ideaal centraal: de beoefenaar streeft naar volledig boeddhaschap, gemotiveerd door mededogen en met het doel alle voelende wezens tot bevrijding te helpen.

Door: José van der Loop

De bodhisattva wekt bodhicitta op: de geest die besluit volledig te ontwaken ten bate van alle wezens. Tegen deze achtergrond rijst de vraag of Jezus, zoals beschreven in de evangeliën, als bodhisattva kan worden beschouwd. Vanuit zowel boeddhistische als esoterische perspectieven is die vraag uitdrukkelijk gesteld en uiteenlopend beantwoord.

Beide tradities bouwen op fundamenteel verschillende metafysische grondslagen: het boeddhisme kent in principe geen blijvend zelf en geen scheppende God, terwijl het christendom uitgaat van een persoonlijke God en de opstanding van het lichaam.

We bespreken drie kenmerken van beide tradities: mededogen, liefde en de afdaling in de materiële wereld. Deze vormen samen de bouwstenen waarmee dit artikel de vraag onderzoekt of Jezus een bodhisattva was.

Het mededogen
Het eerste kenmerk is karuṇā, mededogen. In de boeddhistische Mahāyāna-school is karuṇā het verlangen dat alle wezens van lijden bevrijd zijn: een gerichtheid van de geest op het lijden van anderen, en het diepe verlangen om dat lijden te verlichten. De monnik Śāntideva verwoordt die gerichtheid in het Bodhicaryāvatāra, als het streven anderen geluk te schenken en hun lijden weg te nemen. De christelijke traditie kent een overeenkomstige gerichtheid.

In de synoptische evangeliën leeft deze gerichtheid in Jezus: bij het zien van de menigte wordt hij innerlijk met ontferming bewogen (Matteüs 9:36). De Latijnse traditie noemt dit mededogen misericordia: het hart bewogen door ellende.  Bij de kerkvader Augustinus en de theoloog Thomas van Aquino wordt het tot een deugd ontwikkeld. Thomas definieert misericordia in de Summa (II-II, q. 30) als mede-lijden met de ellende van een ander, met het verlangen die te verlichten.

Karuṇā en misericordia richten zich beide op het lijden van de ander, beide voltooien zich in de daad, en beide gelden in de eigen traditie als kenmerk van het hoogste geestelijke leven. Toch verschilt de context, want in het Mahāyāna-boeddhisme staat karuṇā in verhouding tot het inzicht in de leegte; in de christelijke traditie staat misericordia in verhouding tot de mens als beeld van God en tot de navolging van Gods eigen ontferming.

De liefde
Het tweede kenmerk is de liefde. In het Mahāyāna-boeddhisme heet deze liefde maitrī, liefdevolle vriendelijkheid, de wens dat alle wezens gelukkig zijn. Hier is de liefde onlosmakelijk verbonden met bodhicitta: de gerichtheid op het ontwaken en op alle wezens. Deze liefde overstijgt de persoonlijke genegenheid die de mens ervaart; zij blijft gericht op het welzijn van de ander, los van wat de ander doet of teruggeeft. In de johanneïsche traditie staat agapē, de gerichtheid van God op de mens, en van de mens op God en de naaste. In de eerste brief van Johannes staat:

God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem (1 Johannes 4:16)

Het Johannes-evangelie (Johannes 13:34) formuleert haar als gebod, wanneer Jezus zijn leerlingen opdraagt elkander lief te hebben zoals hij hen heeft liefgehad. In de Mahāyāna-traditie worden deze twee ook wel mahākaruṇā (groot mededogen) en mahāmaitrī (grote liefde) genoemd, als twee zijden van bodhicitta.

Het boeddhistische maitrī en het christelijke agapē richten zich volledig op de ander en het hoogste, en worden gecultiveerd door oefening: meditatie en inzicht in het Mahāyāna-boeddhisme, gebed en navolging in het vroege christendom. In de johanneïsche theologie is agapē een eigenschap van God die in Christus verschijnt en de discipel door zijn eigen relatie met God ten deel valt; de mens heeft lief omdat God hem eerst heeft liefgehad (1 Johannes 4:19).

De afdaling in de materie
Het derde kenmerk is de afdaling in de materiële wereld. In het Mahāyāna-boeddhisme keert de bodhisattva uit mededogen terug in saṃsāra, de wereld van vergankelijkheid. Hij bereikt geen nirvāṇa dat hem van de wereld afscheidt, maar een niet-verblijvende (apratiṣṭhita) staat waarin hij werkzaam blijft om alle wezens uit het lijden te bevrijden. De Lalitavistara werkt dit uit voor Siddhārtha Gautama, die uit de Tuṣita-hemel afdaalt nadat hij tijd, land, stam en moeder bewust heeft gekozen: een doelbewuste manifestatie van een reeds ontwaakt wezen.

De christelijke traditie kent ook de incarnatie. De meest precieze tegenhanger staat in de hymne in Filippenzen 2:6-11. De tekst stelt dat ‘hij die de gestalte van God had, zichzelf ontledigde en de gestalte van een dienstknecht aannam’.

Deze afdaling gaat van een verheven staat naar de lijdende wereld, gedreven door karuṇā, het mededogen met alle wezens; in de christelijke lezing is het de liefde van God voor de wereld die Johannes 3:16 uitspreekt.

In beide tradities is de afdaling een gekozen daad, met dit verschil: het Mahāyāna-boeddhisme kent vele boeddha’s en bodhisattva’s, terwijl de christelijke theologie uitgaat van één incarnatie, gegrond in de eenmalige kruisdood van Christus (Hebreeën 7:27; 10:10).

Inzichten uit de theosofie en antroposofie
Waar de voorgaande vergelijkingen overeenkomstige functies binnen twee gescheiden tradities beschrijven, gaan theosofie en antroposofie een stap verder: zij stellen een onderliggende, ontologische verwantschap tussen Christus en de bodhisattva. De theosofie stelt dat Christus, Krishna en de Boeddha manifestaties zijn van dezelfde geestelijke werkelijkheid; het bodhisattva-pad geldt hier als de hoogste weg. De antroposofie erkent een lijn van bodhisattva’s die in de wereldgeschiedenis incarneren om de mensheid te leiden, met de Boeddha als voltooide bodhisattva en de Maitreya als toekomstige Boeddha. Zij plaatst Christus als een wezen van hogere orde; de bodhisattva’s bereiden zijn komst voor en zetten zijn werkzaamheid voort.

Aan boeddhistische zijde erkent de Dalai Lama in The Good Heart (1996) in Jezus een volledig ontwaakt wezen of een bodhisattva van hoge verwerkelijking, terwijl hij de uitdrukkelijke gelijkstelling om doctrinaire redenen openlaat.

De vraag of Jezus een bodhisattva is kan uiteraard niet eenduidig worden beantwoord. Wel laten theosofie, antroposofie en de woorden van de Dalai Lama zien dat de figuren van Christus en de bodhisattva, ondanks hun verschillende doctrinaire kaders, elkaar op wezenlijke punten raken.
___

José van der Loop geeft lezingen, schrijft artikelen en maakt podcasts over yoga-filosofie, Vedanta, esoterisch christendom, mystiek en andere wijsheidstradities. Haar werk kenmerkt zich door inhoudelijke verdieping en aandacht voor oorspronkelijke bronnen en tradities. Daarbij zoekt zij steeds naar inzichten die transformeren en inspireren.

(Visited 20 times, 1 visits today)
Close