Geschreven door 09:54 Actueel • 5 Reacties

Hoe de doden met ons omgaan

Mijn vriend de filosoof stuurde me afgelopen zomer vanaf zijn vakantieadres de volgende app: “Hier in de Bourgogne zag ik een opvallende tegenstelling. Veel verlaten en/of verwaarloosde dorpjes. Maar op de kerkhoven ziet alles er piekfijn uit. Vergelijk dat met ons ‘cremeren maar en geen grafrechten verlengen. Kost te veel geld.’ Ik moest vanzelf aan jou denken. Je zou er een mooi stuk over kunnen schrijven.”
Dat stuk moest wachten tot deze maand van Allerzielen en gedachtenisdiensten. Of het mooi is laat ik aan de lezer.

Door: Wim Jansen

Eerst maar eens de omgekeerde vraag: hoe wij omgaan met onze doden. Volgens de app van mijn vriend ziet dat er niet goed uit, althans hier in Nederland. Hij bekritiseert verwaarlozing van de graven en de keuze voor cremeren uit louter financieel oogpunt. Dit laatste speelt volgens hem ook de hoofdrol als het gaat over het verlengen van de grafrechten – of liever: het niet verlengen.

Dat zou een bedroevende zaak zijn, maar ik weet niet of het waar is. In ieder geval klopt de vaststelling dat de meeste buitenlandse kerkhoven er verzorgd uitzien en dat men daar veel tijd, energie en geld besteedt aan de plek waar men zijn doden kan gedenken. Het klopt ook dat we die cultuur in Nederland minder aantreffen. Maar of dat te maken heeft met – misschien – calvinisme of toegenomen materialisme of zelfs onverschilligheid ten opzichte van onze doden kan ik niet beoordelen.

Hij is hier niet
Nu ben ik zelf geen fervent grafbezoeker noch grafverzorger. Ik zou mij dan ook ‘de vos die de passie preekt’ voelen als ik zou oproepen tot meer zorg aan de graven of de urnen van onze dierbare doden. Dat men dit buitenlands meer praktiseert is – zo heb ik mij laten informeren – ook niet louter uit respect voor de doden. Status, rijkdom en ander uiterlijk vertoon om indruk te maken blijken een grote rol te spelen in de verzorging van het graf.  Op ‘de akker des doods, waar allen gelijk worden’ zijn vooraanstaanden en rijken heel wat ‘meer gelijk dan anderen’ – om deze onvergetelijke quote uit Animal Farm hier eens toe te passen.

Met de hand op mijn hart durf ik te beweren dat de nagedachtenis van mijn ouders mij zeer dierbaar is en dat ik die ook dagelijks praktiseer. Maar niet door hun graf te bezoeken. Toegegeven, dat zou wat vaker kunnen, maar het komt er niet van. En waarom komt het er niet van? Omdat ik er niet zoveel van hen vind. Ja, ik vind zeker een sfeer van rust en bezonkenheid in de natuur en dat helpt om tot een dieper gedenken te komen, maar de gedachtenis is er niet afhankelijk van. Zij zijn daar niet.

Ik moet altijd denken aan de uitspraak van de engelen in het graf van Jezus als de vrouwen zijn lichaam komen balsemen: Hij is hier niet. Nee, hij is hier niet. Waar dan wel? Hij is overal. Duikt overal op. In de graftuin, op de weg naar Emmaüs, in het vertrek waar de leerlingen samenkomen, dwars door de dichte deuren, aan de oever van het meer, op de berg…

Onze doden zijn niet meer in dat stoffelijk overschot, niet meer aan een vorm of een plaats gebonden, ook niet in dat bloemrijk opgetuigde grafmonument noch in de urn noch in de uitgestrooide as.     
Waar zijn ze dan wel?

Een derde weg
Ik behoor niet tot de theologen die het klassieke geloof in een hemel of een letterlijk lichamelijke opstanding aan het einde der tijden verkondigen. Ik behoor evenmin tot hen die instemmen met een materialistisch ‘dood is dood’, gebaseerd op de aanname dat alles afgelopen is met het afsterven van onze hersenen. Waarom zou er niet een derde weg zijn?

Er zijn steeds meer hersenwetenschappers die geen genoegen meer nemen met het dogma – want dat is het – dat ‘wij ons brein zijn’. Het dogma dat er sprake zou zijn van oorzakelijkheid tussen hersenen en geest, in die volgorde. Dat de geest dus het product zou zijn van de hersenen. Natuurlijk vormen de hersenen het instrumentarium, het fysieke kanaal waar de wonderbaarlijke transmissie plaatsvindt tussen geest en materie, of, zo men wil, tussen energie en materie. Maar dat wil geenszins zeggen dat de hersenen de bron zijn.

Het is waarachtig niet achterhaald om je te laten leiden door het besef, dat de materiële werkelijkheid voortkomt uit een onzichtbare werkelijkheid, een energie die je misschien God zou kunnen noemen.

In alle culturen zien we een diep gewortelde intuïtie dat onze doden nog levend om ons heen zijn. Niet alleen een intuïtie maar ook de ervaring, zoals mensen daarover vertellen in verhalen die getuigen van nabijheid en troost. En ook wanneer een cultuur – zoals de onze – alle intuïtie en mystieke gevoel om zeep helpt, blijkt dat besef van een dimensie waarin onze doden verkeren onuitroeibaar. Zie de hardnekkigheid van hemelgeloof, channeling, spiritisme en, algemener, het gebruik van beelden als ‘vlinder’ en het ‘sterretje’ dat oma nu is.               

Waarom zou er niet een derde weg zijn? Nu ik zelf vermoedelijk binnen afzienbare tijd – niemand weet het – de dood in de ogen zal zien, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat ik ‘ergens thuiskom’. Een eeuwig bewustzijn misschien, of op z’n minst een zijn als energie.

Het is geen whishful thinking – want er blijft van mijn ‘ik’ niets over – noch een geloofsaanname, maar een steeds sterker wordende intuïtie. Als ik dood ben zal ik als liefde aanwezig zijn in de levens van mijn geliefden.

Hoe de doden met ons omgaan
Zo gaan de doden met ons om. Als aanwezigheid van liefde. Op deze ervaring – niet van hoe wij met de doden omgaan maar hoe de doden met ons omgaan – wil ik dieper en persoonlijk ingaan. Ik heb verhalen gehoord en gelezen, schreef ik.

Een mevrouw, recent weduwe geworden, vertelt:

‘Op de vele dierbare plekken waar we jarenlang samen zo genoten hebben verdiept mijn dankbaarheid over de mooie tijd samen. Toen ik gisteren door de volle herfstkleurenpracht liep vond ik het aanvankelijk jammer daarvan niet meer samen te kunnen genieten. De triestheid daarover duurde maar kort, hij is immers gewoon bij me, diep in mijn hart, voor altijd. Ik ervaar een enorme vreugde en verdieping.’…

Toen oud-minister Witteveen bij de aanslag op de MH17 in 2014 zijn zoon en diens gezin verloor, kon hij dat vreselijke onrecht aanvaarden in het besef, dat ze zijn opgenomen in het licht. Zelfs zei hij: “Ik sta nu meer in contact met hem dan toen hij nog leefde.” 

En in mijn boek O vader wij zijn samen geweest (2020) vertel ik hoe mijn vader, sinds zijn dood in 1977, met mij meegaat als een zachte glans van nabijheid. Hoe hij ook een van onze kinderen nabij was in een moeilijk uur. Het slotfragment waarin ik mij tot mijn vader richt:

Je bent sterker en inniger in mijn leven aanwezig dan toen je nog leefde.
En niet alleen bij mij.
Maar ook die nacht, twee decennia na je overlijden.
Bij een van je kleinkinderen, ons kind.
Een kleinkind dat jij niet hebt gekend, want geboren na jouw dood.
Hij maakte een diepe adolescente crisis door.

Die nacht, op zijn kamer, had hij het zo te kwaad.
Toen hoorde hij een stem bij het raam.
Een stem die zei: ‘Het komt goed.’
Hoe kon hij, die jou nooit heeft gekend, zo zeker weten dat jij het was?
Maar dat moment markeert de ommekeer.

Zo ben je in ons leven gebleven, jij levende dode.
Als de vriendelijke stem van de overkant: ‘Het komt goed.’

Over Wim Jansen
Wim Jansen (1950) is theoloog, schrijver en dichter, aan christendom en religie voorbij – en uitgekomen bij de mystiek van de Liefde. Hij is emeritus predikant van Vrijzinnig Delft en de Vrijzinnige Koorkerkgemeenschap in Middelburg en was ook lange tijd werkzaam in het onderwijs, met name aan de Hogeschool Zeeland. Onlangs verscheen zijn boek Brandend verlangen. Voor meer info: www.wimjansen.nu.

(Visited 595 times, 1 visits today)
Sluiten