Geschreven door 12:01 Opinie, slider

Huiveringwekkend is deze plaats – Het kerkgebouw als heilige ruimte

Bidden kun je overal, op elk moment. In de oudheid was dat anders. Daar waren plaatsen die ‘heilig’ waren en waar een taboe op rustte: zo’n plaats was de woon- of verblijfplaats van het opperwezen. In de joodse en christelijke traditie is God niet op één plaats te vinden, God is eerder ‘overal en nergens’ dan ‘ergens’. Maar mensen hebben blijkbaar kerken, heilige ruimten nodig, om te bidden.

Door: Ad de Keyzer

Christenen komen bijeen om samen liturgie te vieren. Vanaf het begin van onze jaartelling gaan zij daarvoor naar een daartoe geëigende ruimte, ‘bij elkaar thuis’ (Handelingen 2:46) als die ruimte groot genoeg is en geschikt. Wat wij nu kennen als onze kerkgebouwen, zijn grote ruimten, van hoge architectonische kwaliteit. Historisch van kapitaal belang voor allerlei aspecten van onderzoek staan zij hoog op de prioriteitenlijst van ons cultureel erfgoed. Maar een kerk als ‘gebouw’ bestond in de eerste eeuwen van het christendom niet. Misschien had men ook geen behoefte aan een grote ruimte, gezien het geringe aantal mensen in de gemeenten. Pas na de vrede van keizer Constantijn in 313 werden de kerkhuizen groter en kregen ze de naam basilica. Zelfs nu zijn de afmetingen van de basiliek die Constantijn bouwde rond het jaar 310 in Trier bijna onvoorstelbaar: het Romeinse bouwwerk heeft een lengte van 67 meter (met de toegangshal erbij 75 meter), een breedte van 27,2 meter en een hoogte van maar liefst 33 meter.

Als we een bijvoeglijk naamwoord zoeken dat op een adequate wijze het gebouw kwalificeert waar mensen bijeenkomen voor de eredienst, dan lijkt ‘heilig’ voor de hand te liggen. Een kerk is een heilige ruimte. Dat klinkt vertrouwd, maar wat zeg je daarmee? Een aantal aspecten met betrekking tot deze heilige ruimte wil ik hier overwegen.

Als we nadenken over wat een heilige ruimte is, moeten we ons realiseren dat ieder zich daar (on)bewust op voorhand een beeld van heeft gevormd. De een krijgt een letterlijke (kerk)ruimte voor ogen, ziet zich daarin lopen, staan, knielen of zitten; een ander voelt meer een huiver, een schroom voor iets waar je niet aan komt, waar je met respect op een afstand blijft. Interessant is dat ‘heilige ruimte’ zowel iets concreets als iets geestelijks kan zijn. Dat laatste treffen we aan wanneer bijvoorbeeld musici de symfonieën van Anton Bruckner als ‘een kathedraal’ typeren.

Wijlen studentenpastor Jan van Kilsdonk beschouwde het monumentale Romeins Missaal als ‘een kathedraal’ en in de spiritualiteitsstudie zien wij liturgie als een ‘geestelijke ruimte’ waarin ieder zijn of haar plaats mag vinden. Misschien moeten we niet proberen deze twee aspecten van de heilige ruimte strikt uit elkaar te halen en ze als twee aparte grootheden behandelen, maar ze juist als twee verschillende aspecten van één en hetzelfde proberen te zien. Ze zijn wel onderscheiden ván maar horen ook bíj elkaar.

In de christelijke traditie kennen we niet zoiets als afgezonderde heilige plaatsen, omgeven met een taboe, waar God huist. God heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. In het Eerste Boek Koningen heeft koning Salomo een vorstelijk huis voor God gebouwd. In het gebed dat Salomo uitspreekt bij de inwijding van deze tempel zegt hij: ‘Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan U niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor U heb gebouwd.’ (1 Koningen 8:27). Deze woorden hadden zo’n grote impact dat ze in het boek Handelingen geciteerd worden door Stefanus (Handelingen 7:48) in zijn toespraak tot het Sanhedrin, wat hem uiteindelijk zijn leven kostte.

God is niet te lokaliseren, niet vast te leggen, ook niet in de rijkste, oudste en hoogste kathedraal van de wereld. Wat ons te denken geeft, is het diepgevoelde besef dat Salomo uitspreekt (1 Koningen 8:29) dat de tempel de ruimte is waarvan God zelf heeft gezegd dat daar zijn naam zal wonen voor altijd. Gods naam is ‘Hij weze er’; ik zal er nog op terugkomen. Gods naam duidt op ‘aanwezigheid’. Waar deze naam wordt uitgeroepen, daar wordt geroepen om zijn aanwezigheid. In die zin is Gods naam tevens de bede die we in teksten van Huub Oosterhuis vaak horen: ‘Wees hier aanwezig.’

Kerk is de plaats bij uitstek voor het (aan)roepen van God. Het woord ‘kerk’ komt van het Griekse bijvoeglijk naamwoord kuriakè, ‘van de Heer’. Kerken mogen we beschouwen als ruimten waar Gods naam woont. Die naam krijgt pas zijn betekenis wanneer hij wordt uitgeroepen door mensen, waar die naam klank krijgt, ruimte krijgt, gehoord wordt. Sterker nog: waar die naam niet klinkt of kan klinken, is God afwezig. Laten we een moment stil staan bij dit roepen.

Tevoorschijn roepen
Een oude naam voor kerk is ekklesia, een Bijbelgrieks woord dat ‘vergadering’ betekent. De oorsprong ervan ligt in het Griekse werkwoord ek-kaleoo, ‘tevoorschijn roepen’. Vanaf het begin van onze christelijke jaartelling heerst het besef dat ‘kerk’ niet alleen een bouwwerk is, maar ook en misschien wel vooral bestaat uit een groep mensen die ‘bij elkaar geroepen’ zijn. Ekklesia laat ons twee kanten van het ‘roepen van God’ zien. De eerste is wanneer het menselijk ik onderwerp van roepen is: de mens roept God. Dan is ‘kerk’ de ruimte waar mensen God aanroepen, iets waarmee kerkgangers vertrouwd zijn.

De tweede kant van dit roepen van God doet zich voelen wanneer God onderwerp van het roepen is. Dan wordt de mens aangeroepen, bijeen geroepen, tevoorschijn geroepen door God. Hier worden wij geconfronteerd met de wederkerigheid van het roepen die paradoxaal is, want hoe kan het onderwerp van het roepen ook en zelfs tegelijkertijd het lijdend voorwerp van dit roepen zijn? Hier hebben we te maken met de mystieke wederkerigheid van het roepen die in de psalmen zo vaak klinkt: ‘In mijn roepen buig je naar mij.’ (Psalm 4:2) God is dan ons roepen zelf geworden.

Die mystieke wederkerigheid ervaren we wanneer we de Godsnaam JHWH uitroepen. Deze Hebreeuwse Godsnaam bij uitstek is geen zelfstandig naamwoord zoals Heer en Koning, ook geen hoedanigheid als Macht(ige) en Eeuwige, maar een werkwoord. Vertaald betekent JHWH ‘Hij weze er’; het Hebreeuwse werkwoord ‘er wezen’ (hajah) horen we in die naam nog doorklinken. In het roepen van deze naam wordt een mystieke wederkerigheid voelbaar. Als het menselijk ik uitroept ‘Wees er’ roept het niet alleen God, het hoort ook zichzelf roepen. Hij of zij geeft de naam van God de ruimte om tot klinken te komen en dan hoort hij of zij in de echo terug: ‘Wees er.’ JHWH is ons bidden zelf: ‘Wees er’ en in ons bidden nodigt Hij of Zij ons niet aflatend uit: ‘Wees er.’

Orgel van de ziel
De betekenis van de kerk als de ruimte waar Gods naam woont, krijgt perspectief door wat wij hierboven schreven over de mystieke wederkerigheid van het uitroepen van Gods naam. Kerk is dan de plaats waar God en mens elkaar raken wanneer in de liturgische riten het uitroepen van Gods naam mogelijk wordt gemaakt. Als het kerkgebouw de concrete ruimte begrenst, begrenst de liturgie de spirituele ruimte. In die spirituele ruimte mag het menselijk ik zijn of haar eigen plek vinden zodat wij zelf de ruimte worden waar God zijn of haar woning vindt. In het zestiende-eeuwse mystieke geschrift Die evangelische Peerle, waarschijnlijk geschreven door een kanunnikes van het Arnhemse Agnietenklooster en geïnspireerd door de Vlaamse mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381), is Jezus aan het woord, die spreekt over zijn geboorte in zowel lichamelijke als geestelijke zin: ‘Ik ben eens lichamelijk om uwentwil geboren, met de bedoeling altijd geestelijk in u te worden geboren. […] met alle andere hoogfeesten, die uitwendig van Mij worden gevierd: ze moeten geestelijk in u voltrokken worden. Daartoe worden ze juist gevierd: opdat u heel mijn leven en lijden […] aanhoudend in uw hart zou bezitten en dragen.’

Zijn we een beetje meer vertrouwd geraakt aan een dergelijke manier van denken – dat kost gedurig oefenen in geduld en aandacht – dan kan de volgende tekst uit een ander mystiek geschrift, Van den tempel onser sielen, van dezelfde hand van de eerder genoemde Arnhemse kanunnikes, ons te denken geven, niet zonder humor overigens: ‘Om deze inwendige tempel is de uitwendige tempel gemaakt. Al wat daarin beschikt is, heeft geen ander doel dan te komen tot deze inwendige tempel. Al wat men daarin viert, moet in deze inwendige tempel zijn voltooiing bereiken. ( … ) In de eerste worden de bedienaars moe, maar in deze worden de hemelse bedienaars niet moe. Ook God houdt zelf niet op zichzelf hierin te loven. In de eerste tempel wordt het orgel, evenals de andere instrumenten, met talent van mensen bespeeld. In deze wordt het orgel van de ziel door de Heilige Drievuldigheid opgesteld. In het allerbinnenste volbrengt dan de hemelse Meester van de minne zijn loflied, op de heerlijkste melodie.’

Mystieke wederkerigheid
Wat kunnen we nu zeggen over de inrichting van een plek die beoogt ruimte te bieden voor de ontmoeting tussen God en mens? Is het bijvoeglijk naamwoord ‘heilig’ geschikt om een architect te kunnen inspireren tot het tekenen en inrichten van een kerkgebouw anno 2020? De kerkelijke juridische bepalingen – althans in de rooms-katholieke traditie – voor de bouw en inrichting van een kerk laten aan duidelijkheid niet veel te wensen over. Maar die bepalingen hebben iets anders op het oog dan de geestelijk-liturgische ruimte – de ‘inwendige tempel van de ziel’ – die het roepen van God mogelijk moet maken. Want als een kerkgebouw voldoet aan alle eisen die door hogerhand zijn bepaald, dan nog. Dan staat het gebouw er wel, maar het is nog niet ‘gewijd’, dat wil zeggen: bestemd, geijkt, geschikt gemaakt voor de ontmoeting van God en mens. Wanneer het kerkgebouw eenmaal gewijd is, geeft het woordje ‘heilig’ daaraan betekenis: de ruimte is ‘van God’ geworden. En daar blijf je van af, dat roept respect op, schroom en huiver. ‘Heilig’ is eerst en vooral een besef dat je in jezelf voelt. Als je je bewust bent van de ‘heiligheid’ van de ruimte, is die ruimte de ‘ruimte van God’ geworden.

‘Ruimte van God’ kent eenzelfde tweezijdigheid als die we tegenkwamen bij ‘roepen van God’. De ruimte van God is aan de ene kant de ruimte waar God zich vinden laat aan degene die Hem of Haar zoekt; aan de andere kant is het ook en tegelijk de ruimte die God geeft aan de mens om ontvankelijk te worden voor Gods aanspraak. Deze mystieke wederkerigheid laat zich niet zichtbaar vertalen in een specifieke inrichting van de ruimte. God immers is en blijft verborgen, hoeveel riten, mythen, wierook en kaarsen je ook wilt gebruiken. Sterker nog: elk symbool verwijst slechts naar een verborgen God en als het teken of symbool al iets openbaart, is het juist Gods verborgenheid.

Tafel en lezenaar
In elke kerkruimte vallen twee elementen op die verschillende namen kunnen dragen: de tafel (altaartafel, avondmaalstafel) en de lezenaar (preekstoel, ambo). In de meeste kerkgebouwen bevinden zich deze twee ‘liturgische meubels’ in het liturgisch centrum, dat de aandacht naar zich toe trekt omdat het een soort podium is, dat voorin de kerk ligt of meer centraal in het midden van het gebouw. Daaromheen of daarvoor gegroepeerd zijn banken of stoelen voor de kerkgangers. Hoe het ook zij, we kunnen vaststellen dat er, vergelijk de concertzaal of de schouwburgzaal, een ‘podium’ is waarop voorgangers hun plek hebben en een ‘zaal’ waarin kerkgangers hun plaats vinden.

Het is de vraag of een dergelijke inrichting van het kerkgebouw zoals wij dat gewend zijn, recht kan doen aan de ‘heiligheid’ van de ruimte waarover wij eerder nadachten. Is de scheiding tussen ‘podium’ en ‘zaal’ niet eerder een afschaduwing van een hiërarchisch kerkordelijk systeem dan dat het recht doet aan de mystieke wederkerigheid van het ‘roepen van God’? Denk aan het onderscheid dat we eerder hebben gezien tussen de uitwendige tempel: het kerkgebouw en alle riten die daarin voltrokken worden, en de inwendige tempel: de ziel van de gelovige kerkganger waar de Geest bidt en ademhaalt.

Als liturgie de geestelijke ruimte opent waarin God en mens elkaar ontmoeten, dan moet de letterlijke ruimte waarin mensen bijeen geroepen zijn, deze geestelijke ruimte toegang verschaffen. In de katholieke liturgie is er een moment, na de voorlezing uit de Schriften, waarop de rituele dialoog voltrokken wordt tussen de lector die uitspreekt ‘Woord van de Heer’ en de toehoorders (het volk van God) die antwoorden ‘Wij danken God’. Deze rituele dialoog verwijst naar de – verborgen – dialoog tussen God en zijn volk. God geeft zichzelf in zijn woord als voedsel om te leven aan de ‘tafel van het woord’ (de ambo), en het volk bedankt God voor het leven dat het heeft ontvangen aan de ‘tafel van de dankzegging’ (het altaar). Zo beschouwd zijn ambo en altaar de tekenen waaronder de wederkerigheid van Gods aanspraak en het dankjewel van de mens voltrokken wordt.

Het lijkt in het licht van het bovenstaande geen overbodige luxe eens nader te bekijken waar ambo en altaar in de ruimte geplaatst worden. Staan zij op het ‘podium’ (priesterkoor) naast elkaar? Je zou je een ruimte kunnen indenken waar geen podium is en de kerkgangers midden in de ruimte rondom een leeg midden in een paar rijen kunnen zitten in een open ovaal. De ovaal wordt aan een kant, de kant waar je de ruimte binnenkomt, gesloten door de tafel. De ambo staat aan de andere kant van het lege midden daar recht tegenover aan de open zijde van het ovaal. Tafel en lezenaar staan aldus in een dialogisch verband, en kunnen recht doen aan het gebouw als heilige ruimte van de Godsontmoeting.

Terribilis
Tot slot. Zestig jaar geleden kreeg ik van mijn ouders een Romeins Missaal. Daarin hadden de eucharistievieringen van elke dag een naam die ontleend was aan de eerste woorden van de Introïtus, ‘Intredezang’, die op die dag klonk. Tot op de dag van vandaag fascineert mij het woord waarmee de mis van de gedachtenis van de kerkwijding de toegang opende tot de geestelijke ruimte waar God en mens elkaar raken: Terribilis est locus iste, ‘Huiveringwekkend is deze plaats’. Het is een citaat van Genesis 28:17. In de zegging van deze woorden dragen de i-klanken, de r’en, de t’s en de s’en allemaal bij tot het besef van het respect dat deze plaats verdient. Deze woorden missen hun huiveringwekkende werking niet. Zij brengen ons tot bezinning, breken onze eigenwaan, laten ons van Gods goedheid schrikken binnen in ons hart.

Ad de Keyzer (1952) was de afgelopen 25 jaar als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Titus Brandsma Instituut.

Bovenstaand artikel werd eerder geplaatst in het blad ‘Herademing’ (juni 2020). Voor meer info over dit blad: klik hier.

(Visited 287 times, 1 visits today)
Sluiten