Written by • 14:42• Actueel

Innerlijke tegenkrachten op weg naar verlichting

Welke tegenkrachten komt de mens tegen op de geestelijke weg? Zowel boeddhistische teksten als de geschriften van de christelijke woestijnmonniken beschrijven verlangens, gedachten en neigingen die de beoefenaar van zijn doel kunnen afhouden. Hun opvattingen over dat doel verschillen, maar hun beschrijvingen van de innerlijke strijd vertonen opvallende overeenkomsten. Hoe kunnen we deze tegenkrachten herkennen, en welke wegen wijzen beide tradities om ermee om te gaan?

Door: José van der Loop

De belegering onder de bodhiboom
Onder de bodhiboom verschijnt Māra aan Gautama, de latere Boeddha. In de boeddhistische kosmologie wordt Māra verbonden met de hoogste hemel van het zintuiglijke begeerterijk, en hij komt Gautama op de proef stellen in de nacht waarin deze na jaren van ascese is gaan zitten met het besluit niet op te staan voordat hij ontwaakt is.

Māra begint met de stem van een welwillende vriend. Hij wijst de Boeddha erop dat hij mager is geworden, dat de weg zwaar is en dat het einddoel onzeker blijft. Hij raadt hem aan terug te keren naar een leven van religieuze verdienste, van offers aan de goden en eerbiedwaardig gedrag. Maar Gautama blijft zitten. Daarop komt Māra met geweld en met zijn legers om hem van zijn plaats onder de boom te verdrijven. Ook dan verplaatst de Boeddha zich niet.

In de verschillende beschrijvingen bestaan Māra’s legers uit zintuiglijk verlangen, onvrede, honger en dorst, begeerte, loomheid en slaperigheid, angst, twijfel, verachting en halsstarrigheid, winst, lof en eer, onterecht verworven roem en zelfverheffing ten koste van anderen. In de latere afbeeldingen worden deze tegenkrachten verbeeld als gewapende demonen rond de bodhiboom.

Wanneer zijn legers Gautama niet van zijn plaats kunnen brengen, treden Māra’s drie dochters naar voren en proberen zij hem te verleiden. Ook deze poging faalt. Daarop raakt Gautama de aarde aan en roept haar aan als getuige van zijn lange voorbereiding op het ontwaken, een weg die zich volgens de overlevering over talloze levens uitstrekt. Māra trekt zich terug. Gautama ontwaakt en wordt de Boeddha.

De demonen van Sint Antonius
Een vroegchristelijk verhaal over verzoeking is dat van Antonius de Grote, de Egyptische asceet uit de derde en vierde eeuw. Volgens het Leven van Antonius geschreven door Athanasius kwam hij uit een welgestelde christelijke familie en kreeg hij na de dood van zijn ouders de zorg voor zijn jongere zus. Maar in de kerk hoorde Antonius Christus’ woorden tot hem spreken (vrij naar Matteüs 19:21): ‘verkoop wat je bezit, geef het aan de armen en volg mij’. Hij vatte dit op als persoonlijk tot hem gericht, deed afstand van zijn bezit en vertrouwde zijn zus toe aan een gemeenschap van ascetisch levende vrouwen. Antonius begon zijn ascetische leven nabij zijn dorp. Later trok hij zich terug in een grafkamer, waar hij zijn zwaarste beproeving doorstond, en vervolgens in een verlaten Romeins fort aan de overzijde van de Nijl, waar hij bijna twintig jaar in eenzaamheid verbleef.

Zijn beproevingen nemen verschillende vormen aan. De duivel viel hem op talloze manieren aan. Allereerst probeerde hij Antonius van de ascese af te brengen. Hij fluisterde hem gedachten in ter herinnering aan zijn rijkdom, de zorg voor zijn zus, de verplichtingen tegenover zijn verwanten, de genoegens van de tafel en spijzen en de overige gemakken van het leven, en ten slotte aan de inspanning die een leven gewijd aan verlossing vergt. Het is een vergelijkbaar betoog als dat wat Māra tot de Boeddha richtte: de gekozen weg wordt als onverstandig voorgesteld en het opgeven ervan als bezonnen. Antonius biedt weerstand door zijn vertrouwen op Christus te stellen, te bidden en te vasten.

Een belangrijk gevecht komt wanneer hij op een nacht in zijn grafkamer wordt aangevallen door demonen. Hij raakt daarbij zelfs lichamelijk gewond. Een bekende die hem brood komt brengen, vindt hem en draagt hem naar de dorpskerk. Maar Antonius wilde terug naar zijn grafkamer, en daar leverde hij het gevecht. Daar verschenen de demonen opnieuw, nu als wilde dieren en reptielen. Ondanks zijn pijn blijft hij bidden, totdat een lichtstraal neerdaalt, de demonen verdwijnen en zijn pijn ophoudt. ‘Waar was U? Waarom bent U niet vanaf het begin verschenen om mijn pijn te doen ophouden?’ vraagt hij. Een stem antwoordt: ‘Ik was hier, Antonius, maar Ik wachtte om je strijd te zien. Omdat je hebt volgehouden en niet bent overwonnen, zal Ik altijd je helper zijn en je naam overal bekendmaken.’ Dat is ook gebeurd: Antonius’ levenswijze werd een voorbeeld voor anderen die zich in de woestijn vestigen.

De acht gedachten of geestelijke verstoringen
Hoe neigingen zich in de mens manifesteren, wordt nauwkeurig beschreven door de vierde-eeuwse woestijnmonnik Evagrius Ponticus. Hij onderscheidt acht soorten verleidende gedachten, de logismoi: vraatzucht, seksuele begeerte, geldzucht, verdriet, woede, acedia, ijdele roem en hoogmoed. Onder invloed van acedia lijkt de dag eindeloos te duren; de monnik krijgt een afkeer van zijn cel, zijn werk en zijn levenswijze. Zelfs wie deze beproevingen doorstaat, blijft kwetsbaar: juist zijn volharding kan aanleiding worden tot zelfbewondering. Evagrius maakt daarbij een wezenlijk onderscheid: dat zulke gedachten ons lastigvallen, hebben we niet in de hand; of we ze laten voortduren en hartstochten laten aanwakkeren, volgens hem wel.

Ook in het boeddhisme worden deze innerlijke belemmeringen onderzocht: de kleśa’s, die de geest vertroebelen en het handelen beïnvloeden. Daartoe behoren onder meer begeerte, afkeer, onwetendheid, hoogmoed, twijfel en misvattingen zoals het geloof in een onveranderlijk, onafhankelijk ‘ik’ en ook twijfel aan de geestelijke weg. Onwetendheid betekent hier niet een gebrek aan kennis, maar het niet doorzien van de Werkelijkheid. De mens is slapend, zegt de gnostiek. Geworteld in onwetendheid versterken de kleśa’s het vastklampen aan ‘ik’ en ‘mijn’. We grijpen naar wat ons begeerlijk lijkt en weren af wat ons bedreigt. Het handelen dat hieruit voortkomt, houdt de kringloop van wedergeboorte in stand.

Waakzame aandacht en onderscheidingsvermogen
In beide tradities nemen waakzame aandacht en onderscheidingsvermogen een belangrijke plaats in. Daarbij doet ook onze omgeving ertoe: welke gewoonten, bezigheden en contacten ondersteunen de beoefening, en welke versterken juist de neigingen waarvan men zich wil bevrijden? Een verwante gedachte vinden we bij Philo van Alexandrië. Hij beschrijft hoe de Essenen, een joodse religieuze groepering, het stadsleven mijden vanwege de wetteloosheid die volgens hem in de steden heerst. Naar onze tijd vertaald roept dit de vraag op: met wie en wat omringen we ons en hoe raken situaties ons positief of negatief?

Thich Nhat Hanh geeft concrete aanwijzingen voor het omgaan met wat zich in ons roert. Wanneer woede opkomt, adviseert hij haar te herkennen en met aandacht te omringen, zonder haar te onderdrukken of af te reageren. Bij hevige emoties brengt de beoefenaar de aandacht naar de ademhaling en het rijzen en dalen van de buik. Een emotie, zo benadrukt hij, komt op, blijft enige tijd en gaat weer voorbij. Die wetenschap kan helpen om niet door woede, angst of verdriet te worden meegesleept. Vanuit de rust die zo kan ontstaan, wordt het mogelijk te onderzoeken waardoor de emotie wordt gevoed: bijvoorbeeld door een verkeerde voorstelling van de ander of door onbegrip voor het eigen lijden. Het gaat niet om wachten tot de emotie is uitgewoed, maar om haar te leren begrijpen.

Nirvana en ontwaken
Binnen de mahayanatradities die boeddhanatuur centraal stellen, behoren begeerte, afkeer en onwetendheid niet tot de oorspronkelijke natuur van de geest. Zij verhullen haar, zoals vuil het goud bedekt zonder het goud zelf te veranderen. De beoefening is erop gericht die verhullingen weg te nemen en de boeddhanatuur volledig te verwezenlijken.

Hier ligt een mogelijke parallel met de godsvonk in gnostische tradities: ook daar is sprake van een niet herkende Werkelijkheid. Gnosis brengt de goddelijke oorsprong aan het licht die door onwetendheid aan het zicht was onttrokken. Het ontwaken voltrekt zich door gnosis, door de herkenning van de eigen oorsprong: het kennen door niet-kennen. De parallel met nirvana ligt in ontwaken zelf: in het boeddhisme als het herkennen van de boeddhanatuur, in de gnostische traditie als het ontwaken van de goddelijke vonk in onszelf.

José van der Loop geeft lezingen, schrijft artikelen en maakt podcasts over yoga-filosofie, Vedanta, esoterisch christendom, mystiek en andere wijsheidstradities. Haar werk kenmerkt zich door inhoudelijke verdieping en aandacht voor oorspronkelijke bronnen en tradities. Daarbij zoekt zij steeds naar inzichten die transformeren en inspireren.

(Visited 14 times, 14 visits today)
↑
Close